dnf logo

Beste klant,

In deze nieuwsbrief bezorgen we u een update over twee belangrijke wijzigingen: einde verhoogde tarief investeringsaftrek voor KMO’s en gewijzigde factuurvermelding voor werken in onroerende staat. 

1.  Verhoogd tarief investeringsaftrek KMO’s eindigt op 31 december 2022

De investeringsaftrek heeft tot doel om, voornamelijk, kmo’s aan te moedigen om productieve investeringen te doen. De investeringsaftrek laat een onderneming namelijk toe om een bepaald percentage van de investeringskost voor kwalificerende investeringen af te trekken van haar belastbare basis. Het tarief is o.a. afhankelijk van de grootte van de vennootschap en/of de onderliggende investering.

Geen verlenging van COVID-maatregel

Tijdens de COVID-periode werd het basispercentage van de gewone éénmalige investeringsaftrek van toepassing op kmo’s verhoogd van 8% naar 25% voor investeringen gedaan vanaf 12 maart 2020 tot en met 31 december 2022. Op heden hebben wij geen kennis dat deze maatregel zou worden verlengd. Als gevolg is het raadzaam  voor kmo’s om hun geplande en/of noodzakelijke investeringen niet uit te stellen en nog voor jaareinde te doen om met zekerheid te genieten van het verhoogde percentage.

Toepassingsgebied gewone investeringsaftrek

Ter info: om te genieten van de verhoogde investeringsaftrek dienen ‘kleine’ ondernemingen te investeren in nieuwe materiële en immateriële vaste activa die tijdens het jaar of het boekjaar in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand zijn gebracht. Daarnaast dienen de activa in België te worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, waarbij het actief verband moet houden met de werkelijke activiteit. Indien voldaan aan de voorwaarden zal de KMO tot het einde van het jaar dus nog een aftrek genieten van 25% van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de kwalificerende vaste activa.

2.  Werken in onroerende staat – Nieuwe factuurvermelding verschuift verantwoordelijkheid

De btw regelgeving kent een specifiek regime voor zogenaamde ‘werken in onroerende staat’, dat betrekking heeft op het (ver)bouwen, inrichten, herstellen, onderhouden en gelijkaardige werkzaamheden met betrekking tot een onroerend goed.
Die specifieke regeling voor werken in onroerende staat werd in het leven geroepen als fraude-bestrijdende maatregel aangezien er in het verleden heel wat problemen zijn geweest met de inning van de btw bij (onder)aannemers van werken in onroerende staat. Als gevolg daarvan bestaat het principe dat indien dergelijke ‘werken in onroerende staat’ worden gefactureerd tussen twee in België gevestigde btw-plichtige (of aan een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger) er gefactureerd wordt met ‘btw verlegging’. Op die manier wordt de verschuldigde btw niet geïnd door de dienstverrichter, maar is het aan de dienstafnemer om de handelingen op te nemen in zijn of haar periodieke aangifte om de verschuldigde btw af te dragen (en, naargelang de situatie, ook te recupereren).
Een recent KB wijzigt deze regels.

Toepassingsgebied uitgebreid: indiening van Belgische btw-aangiftes als criterium

De verlegging van heffing zal voortaan niet enkel meer van toepassing zijn indien de afnemer in België gevestigd is, maar wel in elke situatie waarbij de afnemer een belastingplichtige is die verplicht is om in België periode btw-aangiftes in te dienen. Als gevolg kunnen vanaf heden ook buiten België gevestigde belastingplichtigen onder deze verplichte verlegging vallen.

Uitgebreide vermelding

Daarnaast volstaat het niet langer om enkel melding te maken van ‘btw verlegd’. Er komt in de plaats een uitgebreide vermelding:
“Verlegging van heffing. Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand na de ontvangst van de factuur, wordt de afnemer geacht te erkennen dat hij een belastingplichtige is gehouden tot de indiening van periodieke aangiften. Als die voorwaarde niet vervuld is, is de afnemer ten aanzien van die voorwaarde aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten”
De leverancier van een werk in onroerende staat wordt op deze manier dus (gedeeltelijk) verlost van zijn aansprakelijkheid m.b.t. de foutieve toepassing van de verleggingsregeling. De afnemer heeft voortaan één maand de tijd om de toepassing van het de verlegging te betwisten. Doet deze dat niet en blijkt later een foutieve toepassing van de verleggingsregeling, dan zal naar de toekomst toe de afnemer (en niet langer de dienstverrichter) aansprakelijk te worden gesteld voor de verschuldigde BTW en/of eventuele boetes en nalatigheidsinteresten.
Als gevolg wordt dus niet langer enkel de btw verlegd, maar ook de bijhorende aansprakelijkheid inzake de correcte toepassing van het principe.

Inwerkingtreding

De nieuwe regeling treedt reeds in werking vanaf 1 januari 2023.
 

***
Aarzel zeker niet om contact op te nemen met uw dnf-adviseur indien u hierbij verdere vragen heeft.

dnf logo

Beste klant
 
U heeft mogelijk al via de media vernomen dat sinds gisteren de ontwerpteksten van het eerste deel van de fiscale hervorming doorsijpelen. Eén van de belangrijkste wijzigingen heeft betrekking op het gunstregime van de auteursrechten.
 
Het is momenteel nog onduidelijk wat de finale gewijzigde wetgeving zal worden, aangezien er nog geen definitieve ontwerpen werden gepubliceerd. Van zodra wij ook zicht krijgen op de definitieve ontwerpen van de nieuwe wetgeving gaan we deze zo snel mogelijk analyseren om te kijken hoe we op deze veranderingen moet reageren. Toch willen we jullie al graag de krijtlijnen van de wijziging meegeven, zoals ze nu door ons gekend zijn.
 

Vernauwing van het toepassingsgebied

De wetgever hekelt het feit dat het door een ruime interpretatie van het huidige regime er een brede groep aan personen gebruik kan maken van het regime: architecten, advocaten, programmeurs, consultants … Met de voorgestelde wijzigingen wil de wetgever graag terug naar de kern van het regime. De doelstelling bij invoering in 2007 was namelijk om een bijzonder regime te voorzien voor die situaties waarbij de ‘auteur’ geconfronteerd wordt met onzekerheid gelinkt aan inkomsten die op onregelmatige en wisselvallige wijze worden verkregen in het kader van artistieke activiteiten. De wetgever kan zich niet langer vinden in het feit dat het regime momenteel ook duchtig wordt toegepast door personen die op regelmatige wijze inkomsten behalen die contractueel gegarandeerd zijn. Dit is volgens hen niet langer te verantwoorden in vergelijking met werknemers wier netto beroepsinkomsten volledig worden belast tegen de progressieve tarieven van de personenbelasting.
 
Als gevolg komt er (onder andere) een vernauwing van het personele toepassingsgebied van het regime van de auteursrechten. Zo zouden enkel nog in aanmerking komen, die persoon die ofwel beschikt over een zogenaamd ‘kunstwerkattest’ of die zijn werken overdraagt of in licentie geeft aan een derde voor zijn mededeling aan het publiek of voor zijn openbare uitvoering of opvoering. Specifiek voor IT profielen wil de minister het regime enkel toekennen indien het product dat ontwikkeld wordt een “spel” is en niet meer gewoon “software”. Het is afwachten hoe ze het aspect “spel” willen definiëren en hoe het parlement dit verder invult.
 
Het lijkt er dus momenteel op dat een grote groep buiten de boot zal vallen, al zal het nog afwachten zijn hoe de finale tekst wordt vormgegeven. Afhankelijk van de interpretatie zouden bijvoorbeeld programmeurs of architecten nog wel in aanmerking komen, zij het mogelijk voor een beperkt deel van hun activiteiten dat als ‘mededing aan het publiek’ kan worden beschouwd.

Invoering van een relatieve grens

Naast een wijziging in het personele toepassingsgebied wordt er ook gespeeld met de grensbedragen. Onder de huidige regeling kunnen de netto inkomsten uit auteursrechten tot een bedrag van €64.070,00 (aanslagjaar) worden onderworpen aan een vlak tarief van 15%. Om de netto inkomsten te berekenen kan er gebruik worden gemaakt van een forfaitaire kostenaftrek van 50% op de eerste schijf tot €17.090,00 en 25% tot €34.170,00 (bedragen aanslagjaar 2023).
 
De absolute grens van €64.070,00 voor aanslagjaar 2023 wordt behouden. Daarnaast wordt er echter ook een relatieve grens ingevoerd die stelt dat de verhouding tussen vergoeding voor auteursrechten maximaal 30% mag bedragen van de totale vergoeding die wordt ontvangen voor de geleverde prestaties.
 

Inwerkingtreding

Qua timing kunnen we alvast meegeven dat het strikte regime in principe al van toepassing wordt vanaf 1 januari 2023.
 
Voor zij die momenteel al toepassing maken van het regime komt er een overgangsjaar. Zij moeten zich zodanig herorganiseren dat de nieuwe, striktere regels ook worden nageleefd vanaf 1 januari 2024 of dat zij vanaf dan niet langer gebruik maken van het regime. Tijdens het overgangsjaar zou er voor zij die niet langer kwalificeren onder de striktere regels al wel een beperking komen in het maximale bedrag dat onder het gunstige regime kan worden uitbetaald, namelijk een halvering. Hetzelfde geldt voor de forfaitaire kostenaftrek die mag worden toegepast.

 
***

 
Wij volgen deze ontwikkelingen nauw op. Van zodra ook wij meer zicht hebben op de finale wetgeving en de praktische impact wordt u verder ingelicht. Uiteraard kan u ook nu al terecht bij uw vertrouwde dnf-adviseur met de vragen of opmerkingen die u reeds zou hebben.

dnf logo

Beste klant,
 
In onze laatste nieuwsbrief van 2021 werd gewaarschuwd voor de wijzigingen die op til stonden met betrekking tot het VVPRbis regime. Op basis van het toenmalige wetsontwerp werden er ingrijpende aanpassingen verwacht, waardoor in bepaalde gevallen nog actie vereist was voor jaareinde.

Ondertussen werd het betreffende wetsontwerp finaal goedgekeurd. Merk op dat tussen het initiële wetsontwerp, zoals gekend op het moment van onze eerdere nieuwsbrief, en de finale wettekst er nog diverse amendementen werden ingediend die de impact op bepaalde vlakken temperen.

Om duidelijkheid te verschaffen hernemen we de twee wijzigingen die werden behandeld in onze eerdere nieuwsbrief, waarbij voor elk de finale wetgeving wordt besproken.

De (gewijzigde) regels inzake het VVPRbis regime zijn van toepassing op alle dividenden die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2022.

1.   Geen aanpassing van het startpunt van de wachttermijn: startpunt = inbreng

De belangrijkste wijziging die in het initiële wetsontwerp naar voren werd geschoven was een aanpassing van het startpunt van de wachttermijn. Men zou pas beginnen tellen vanaf datum van volstorting i.p.v. inbreng. Deze wijziging werd niet weerhouden in de finale wet.

Het blijft dus voldoende dat de betreffende aandelen slechts zijn volstort op het moment dat de dividenden worden toegekend om in aanmerking te komen voor de verlaagde roerende voorheffing, De wachttermijn gaat dus in vanaf het boekjaar van de inbreng.

Een (onmiddellijke) volstorting is geen bijkomende vereiste. Slechts op moment van dividenduitkering moeten de aandelen volstort zijn!

2.   Impact van het nieuwe vennootschapsrecht – regularisering vereist

De veranderde visie van de wetgever met betrekking tot de vrijstelling van volstortingsplicht blijft echter wel behouden. Dit betekent dat de vennootschappen die werden opgericht tussen 1 juli 2013 en 1 mei 2019 en bij de aanpassing van hun statuten aan nieuwe vennootschapsrecht gebruik maakten van de mogelijkheid om het nog niet volledig volstort kapitaal te herleiden tot het volstort gedeelte via een “vrijstelling van volstortingsplicht” niet langer in aanmerking komen voor het VVPRbis regime tenzij er voor einde 2022 actie wordt ondernomen.

De nieuwe wet voorziet in een mogelijkheid tot regularisering. Vennootschappen die gebruik maakten van de vrijstelling van volstortingsplicht tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021 kunnen opnieuw gebruik maken van het VVPRbis regime op voorwaarde dat zij uiterlijk vóór 31 december 2022 het “kapitaal” weer op initieel toegekende niveau brengen. Aangezien het startpunt van de wachttermijn ongewijzigd blijft, is volstorting opnieuw pas vereist op het moment dat er wordt overgegaan tot uitkering met toepassing van de verlaagde tarieven. Er zal dus wel een statutenwijziging moeten plaatsvinden waarin beslist wordt tot “kapitaalverhoging” maar dit kapitaal moet niet onmiddellijk volstort worden.
                                               
De belangrijkste actie die op basis van de nieuwe wet vereist is, heeft dus betrekking op de vennootschappen die gebruik maakten van de vrijstelling van volstortingsplicht. Zij zullen voor jaareinde opnieuw bij de notaris moeten langsgaan om gebruik te maken van de overgangsregeling. De betrokken klanten zullen door dnf in de komende periode worden gecontacteerd. Aarzel zeker niet om zelf al contact op te nemen om uw situatie verder te bespreken met uw gekende dnf-contactpersoon.

actie vereist voor einde 2021

dnf logo

Beste klant,

De regering heeft een nieuw voorontwerp van wet voorbereid met ingrijpende aanpassingen aan het VVPRbis regime. Hoewel de wet nog niet is goedgekeurd door het parlement, kan al wel actie ondernomen worden om bepaalde voordelen niet te verliezen!

Ter herinnering: het VVPRbis regime is van toepassing op dividenden toegekend aan nieuwe aandelen op naam die sinds 1 juli 2013 zijn uitgegeven in ruil voor inbrengen in geld (n.a.v. de oprichting of een kapitaalverhoging) en waarop werd ingetekend door natuurlijke personen. Verder dient de vennootschap op het moment van de inbreng te kwalificeren als ‘klein’ in de zin van het vennootschapsrecht. Het VVPRbis regime laat in deze gevallen toe om dividenden uit te keren tegen een verlaagde roerende voorheffing (RV).  Dividenden afkomstig uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng ondergaan 20% RV. De dividenden komende uit de winstverdeling van het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng, genieten 15% RV. Het normale tarief is 30%.

1. Nieuw startpunt van de wachttermijn

Om in aanmerking te komen voor de verlaagde roerende voorheffing, werd op heden algemeen aanvaard dat de betreffende aandelen slechts dienden te zijn volstort op het moment dat de dividenden worden toegekend of uitgekeerd. De wachttermijn van twee of drie jaar ging als gevolg meteen in vanaf het boekjaar van de inbreng, ook al werd er niet meteen volstort.

Voor dividenduitkeringen vanaf 01.01.2022 zou die wachttermijn pas ingaan vanaf de volledige volstorting van de inbreng in geld. Als gevolg raden wij iedereen aan om, indien nodig, het kapitaal of de inbrengen nog voor einde van het lopende boekjaar volledig te volstorten (bv. 31.12.2021). Op die manier zou worden vermeden dat er een extra boekjaar dient te worden gewacht alvorens er kan worden genoten van de verlaagde roerende voorheffing.

2. Regering kan zich niet (langer) vinden in impact van het nieuwe vennootschapsrecht

Volgend op een antwoord van de toenmalige Minister van Financiën en enkele positieve rulingbeslissingen, was het in vele gevallen opportuun om gebruik te maken van de afschaffing van het minimumkapitaal zoals voorzien door het nieuwe vennootschapsrecht, in voege sinds 01.05.2019. Veel vennootschappen opgericht tussen 01.07.2013 en 01.05.2019 hebben intussen hun statuten aangepast en maakten van de mogelijkheid gebruik om meteen ook hun nog niet volledig volstort kapitaal te herleiden tot het volstort gedeelte via een “vrijstelling van volstortingsplicht”.

Het voorontwerp van wet keurt deze techniek echter af. Vennootschappen hun kapitaal verminderd hebben via een ‘vrijstelling van volstortingsplicht’ zouden voor dividenden uitgekeerd vanaf 01.01.2022 niet langer in aanmerking komen voor het verlaagde tarief, tenzij uiterlijk voor 31.12.2022 het kapitaal weer op het initieel toegekende niveau wordt gebracht en volstort. Concreet zou er in deze gevallen dus opnieuw tot een kapitaalverhoging moeten worden beslist om het voordeel niet te verliezen.

Zoals reeds aangegeven dwingt de verwachte inwerkingtreding vanaf 1 januari 2022 ertoe om nog voor jaareinde de nodige actie te ondernemen. Neem zeker contact op met uw gekende contactpersoon bij dnf om uw specifieke situatie verder in detail te bekijken.

Naar aanleiding van het recente overlegcomité, heeft de regering beslist dat het toezicht op de naleving van het verplichte telewerk moet versterkt worden.
Daarom moeten alle werkgevers vanaf de maand april voor elke maand een beperkt aantal gegevens aan de RSZ meedelen.

De aangifte moet ten laatste op de 6de kalenderdag van de maand gebeuren.
De eerste deadline is 6 april. 

De sociale inspectiediensten zullen deze data als referentiepunt hanteren wanneer zij het naleven van het telewerk controleren. Wie een telewerkbare functie vervult, maar toch in het bedrijf aanwezig is, zal zijn of haar aanwezigheid moeten kunnen verantwoorden.

De verplichting geldt voor alle werkgevers, behalve de ondernemingen die verplicht volledig gesloten zijn. Stelt de onderneming geen personeel tewerkdan geldt de registratieverplichting niet (bv. vennootschap met enkel zelfstandige bedrijfsleiders).

Indien je meerdere vestigingseenheden hebt, dien je de aangifte te doen per vestigingseenheid

Je kan de aangifte indienen via de website van de RSZ. Om enkele onduidelijkheden verder toe te lichten, heeft de RSZ ook een FAQ opgemaakt met concrete voorbeelden en meer toelichting. 

Heb je hier nog verdere vragen over? Aarzel dan zeker niet om je vertrouwde dnf-dossierbeheerder te contacteren. 

dnf logo

In de wandelgangen was het al even bekend… Onze managing partner en mede-stichter Frederik Daeseleire heeft dnf vorige week na 25 jaar als vennoot verlaten.

Frederik Daeselaire

Onder leiding van Frederik als managing partner groeide dnf uit tot een middelgroot accountantskantoor met een 50-tal medewerkers een vestiging in hartje Antwerpen ondertussen ook vestigingen in Mechelen, Herentals en Temse. Mede dankzij het strategisch inzicht van Frederik werden ook enkele belangrijke nichekantoren opgericht (dnf not, dnf pensionfunds, ..) waarbij we vandaag trots kunnen zeggen dat we in elk van deze niches tot de top behoren. We zijn dan ook bijzonder fier op het huidige dnf en voelen ons sterk gewapend voor de komende digitale revolutie in de financiële wereld.
 
Weinigen onder jullie zullen het misschien nog weten maar de naam dnf staat eigenlijk voor Daeseleire & Frans. Het is dan ook een logische stap dat Frederik de operationele fakkel eind vorig jaar reeds heeft doorgegeven aan Ludo Frans. Continuïteit is voor ons immers belangrijk in dit verhaal. Dnf heeft daarom de afgelopen jaren geïnvesteerd om een vlotte overdracht van de dossiers en dossierkennis van Frederik mogelijk te maken. Om die reden is onder meer Alexandra Bono als vennoot aan boord gekomen in 2018. Ze heeft heel wat ervaring binnen de sector opgedaan bij één van de grotere accountancykantoren. De overdracht van dossiers heeft reeds in 2019 en 2020 met de nodige grondigheid plaatsgevonden.
 
In tijden van Corona is het niet evident om een groot afscheidsfeest te organiseren voor Frederik.. Al hopen we dat dit snel alsnog kan plaatsvinden. Alhoewel, een afscheidsfeest is misschien niet de juiste benaming. Frederik zal immers dnf als extern adviseur in de toekomst verder ondersteunen daar waar nodig. Zo zal Frederik dus ook in 2021 en later nog een belangrijke rol vervullen binnen dnf. We zullen hem dus zeker nog tegenkomen in Antwerpen. En in afwachting van het afscheidsfeest hebben we Frederik afgelopen vrijdag reeds digitaal in de bloemetjes gezet tijdens onze e-aperitief.  

dnf logo

Eerste liquidatiereserves kunnen in 2020 uitgekeerd worden aan voordelig tarief van 5%!

Dividenden worden in de regel belast aan 30%. Sinds enkele jaren kan een kleine vennootschap echter ook zogenaamde “liquidatiereserves” aanleggen. Net als een gewone reserve, is een liquidatiereserve een interne “spaarpot” voor de aandeelhouder(s). De spaarpot kan jaarlijks opgebouwd worden met de winst van het boekjaar.

Hoe worden dividenden via de liquidatiereserve belast?

De opgebouwde reserves worden aan goedkopere tarieven belast, in twee stappen:

Vanaf wanneer kan ik aan 5% uitkeren?

De eerste maal dat een liquidatiereserve kon aangelegd worden was in aanslagjaar 2015 (inkomstenjaar 31/12/2014). Heeft uw vennootschap in dat jaar een reserve aangelegd, dan kan er dus reeds vanaf 1 januari 2020 een dividend uitgekeerd worden aan 5%.

Liquidatiereserves uitkeren aan 0%?

Dat kan, zelfs tijdens de wachttermijn van 5 jaar. Echter enkel in geval van finale ontbinding en liquidatie van de vennootschap.

Dubbele uitkeringstest

De dwingende bepalingen van het nieuw vennootschapsrecht – dat eerder dit jaar in werking trad – vereisen dat het bestuursorgaan van de besloten vennootschap (BV) en de coöperatieve vennootschap (CV) bij elke uitkering vanaf 1 januari 2020 een zogenaamde balans- en liquiditeitstest moet uitvoeren.
De algemene vergadering moet verifiëren of de uitkering er niet toe leidt dat het netto-actief van de vennootschap negatief wordt of dreigt te worden. Tegelijk zal het bestuursorgaan moeten nagaan of de vennootschap, volgens te verwachten ontwikkelingen, na de uitkering in staat zal blijven haar schulden te voldoen over een periode van ten minste 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van uitkering. U dient dus extra verslagen op te maken vooraleer u kan overgaan tot een uitkering.

Conclusie: uitkeren kan aan 5%, maar let op de verplichte uitkeringstesten

Heeft u hierover vragen, en wenst u na te gaan of ook u via de liquidatiereserves dividenden goedkoper kan uitkeren, contacteer ons dan gerust!

dnf logo

Hierbij bezorgen wij u graag opnieuw een update van enkele Coronamaatregelen die van toepassing kunnen zijn voor u/uw onderneming.

1. Vlaams beschermingsmechanisme

Heb je als ondernemer door de beperkende maatregelen van de overheid te kampen met een omzetdaling van minstens 60% in de maanden augustus en september 2020? Dan kan je vanaf oktober 2020 een premie aanvragen. De premie bedraagt 7,5% van de omzet tijdens de referentieperiode (voor de meeste ondernemingen dus augustus-september 2019) en is beperkt tot een maximumbedrag van € 15.000. De subsidie wordt gehalveerd voor bepaalde zelfstandigen in bijberoep. Deze maatregel is nu nog niet operationeel.

2. Tijdelijke werkloosheid

Vanaf september wijzigen de spelregels van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht door corona. 
Tot 31 december kan ze verder gebruikt worden door twee groepen ondernemingen:

Eerder had de RVA een procedure opgezet waarbij alle ondernemingen die de soepele corona-werkloosheid na 31 augustus wilden verderzetten, een aanvraag moesten indienen met minimale gegevens. Die procedure blijkt niet efficiënt voor de zwaar getroffen sectoren en werd bijgestuurd: 

De definitieve lijst met zwaar getroffen ondernemingen kan je hier terugvinden.

1.1 Ondernemingen die de soepele corona-werkloosheid kunnen verderzetten tot 31/12/2020, zonder aanvraag bij de RVA

Het zijn de ondernemingen die behoren tot de sectoren die integraal worden beschouwd als “zwaar getroffen”:

PC 140.02: taxi’s
PC 227: audiovisuele sector
PC 302: horeca
PC 303.03: exploitatie van bioscoopzalen
PC 304: vermakelijkheidsbedrijf
PC 329: socio-culturele sector
PC 333: toeristische attracties

De meeste van deze ondernemingen hadden 20% tijdelijke werkloosheid in het tweede kwartaal 2020 en hebben op die basis al een aanvraag laten registreren bij de RVA. Nu blijkt dat die aanvraag eigenlijk niet hoefde,  maar dat is een gevolg van de laattijdige en retroactieve aanpassing van reglementering en procedure.

1.2 Ondernemingen die de soepele corona-werkloosheid kunnen verderzetten tot 31/12/2020, na registratie van een aanvraag bij de RVA

Ondernemingen die NIET behoren tot de sectoren die integraal worden beschouwd als “zwaar getroffen” kunnen de soepele corona- werkloosheid verder toepassen indien ze:
voldoen aan bepaalde voorwaarden: ofwel 20% tijdelijke werkloosheid aantonen in het 2e kwartaal 2020, ofwel activiteiten uitvoeren die “zwaar getroffen” zijn;
EN daartoe een aanvraagformulier C106A-corona-HGO laten registreren bij de RVA


1.3 Ondernemingen die niet behoren tot de sectoren van de lijst en evenmin voldoen aan het criterium van 20% tijdelijke werkloosheid

Deze ondernemingen moeten overschakelen naar een gewoon stelsel van economische werkloosheid – schorsing bedienden. Tot 31 december 2020 zijn beide stelsels versoepeld.

Heb je nog specifieke vragen m.b.t. bepaalde coronamaatregelen die misschien van toepassing kunnen zijn voor jou als ondernemer of voor jouw onderneming? Aarzel dan niet om contact op te nemen met ons. Dit kan via jouw vertrouwde dnf dossierbeheerder of via te antwoorden op deze mail.

CASHFLOW TIP

Optimaliseer uw lokale en regionale belastingdruk

De afgelopen weken werden op federaal niveau tal van initiatieven genomen om de fiscale druk tijdelijk te verlichten voor ondernemingen die gevolgen van het coronavirus ondervinden. Vele bedrijven betalen bijvoorbeeld aanzienlijke bedragen aan lokale en regionale bedragen, zoals de belasting op drijfkracht, onroerende voorheffing (op materieel & outillage), milieubelastingen, etc. Indien uw activiteit getroffen wordt door de coronacrisis is het aangewezen ook de nodige aandacht te besteden aan de cash impact van deze belastingen:

Contacteer onze specialisten via onderstaande knop.
Wij organiseren een vrijblijvende videomeeting om u in een half uurtje wegwijs te maken in het doolhof van lokale en regionale belastingen.

Samen met een dnf tax & legal specialist wil ik bekijken welke acties ik kan nemen!

Start a conversation with our COVID-19 assistant!

Heeft u andere vragen over de steunmaatregelen van de regering naar aanleiding van het coronavirus? Neem dan zeker een kijkje op onze website en start een conversatie met de online COVID-19 assistent van dnf group, die steeds over de meest actuele informatie beschikt.

Who are we?

Een team van specialisten dat steeds up-to-date is met de nieuwste wetgeving, samen met u creatief denkt en advies op maat verleent.

dnf logo

De recente wet “houdende dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie” bevat bijkomende fiscale steunmaatregelen die wellicht ook door u kunnen toegepast worden. Hierbij een overzicht van de 10 voornaamste incentives. Wenst u meer duiding bij deze maatregelen, neem dan zeker contact op met uw vaste dnf-adviseur.

1. Vrijstelling doorstorting BV

De loonkost voor de maanden juni, juli en augustus 2020 wordt gemilderd, indien de werkgever gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020 gebruik heeft gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid. De werkgever mag voorts geen banden hebben met belastingparadijzen en geen uitkeringen hebben verricht naar de aandeelhouders via dividend, kapitaalvermindering of inkoop eigen aandelen.

De vrijstelling is gelijk aan 50% van het verschil tussen de totale BV voor elke van de maanden juni, juli en augustus 2020 en anderzijds de totale BV voor de maand mei. Het betreft enkel de BV op de maandelijkse bezoldiging, met uitsluiting van het vakantiegeld, eindejaarspremie en achterstallige bezoldigingen. Het stelsel kan gecombineerd worden met andere vrijstellingen (bv. onderzoekers, nachtwerk of ploegenarbeid)

2. Belastingverminderingen voor giften

Het percentage van de belastingvermindering voor giften in de personenbelasting wordt verhoogd van 45% naar 60%. Bovendien wordt het totale bedrag van de vermindering verhoogd van 10% naar 20% van het totale netto-inkomen van de belastingplichtige.
Bovendien worden giften in natura aan scholen (computers) & ziekenhuizen, OCMW’s, Rode Kruis e.d. (medisch hulpmateriaal) in de vennootschapsbelasting, personenbelasting en btw fiscaal gestimuleerd tot 31 december 2020.

3. Uitgaven voor kinderoppas

Uitgaven voor dagen waarvoor een opvangactiviteit werd geannuleerd kunnen onder bepaalde voorwaarden toch als een effectieve oppasdag worden aangemerkt zodat ze in aanmerking komen voor de belastingvermindering voor kinderoppas (periode van 14 maart 2020 tot 31 december 2020).

4. Consumptiecheque

Werkgevers kunnen een consumptiecheque toekennen aan de werknemers (te gebruiken in de horeca of culturele sector). De cheques zijn fiscaal aftrekbaar bij de werkgever en niet belastbaar bij de werknemer. Om een belastingvrije consumptiecheque te kunnen aanbieden, moet onder meer de toekenning vervat zijn in een cao of individuele overeenkomst. Bovendien mag een cheque een maximale waarde van 10 euro hebben. De werkgever mag een werknemer maximaal 300 euro aan cheques toekennen.

5. Receptiekosten

Receptiekosten gemaakt tussen 8 juni 2020 en 31 december 2020 zijn voor 100% aftrekbaar (i.p.v. 50%), teneinde de evenementensector te ondersteunen. Restaurantkosten of kosten voor relatiegeschenken vallen niet onder deze tijdelijke maatregel.

6. Investeringsaftrek

De investeringsaftrek voor KMO’s wordt verhoogd naar 25% voor kwalificerende investeringen tussen 12 maart 2020 en 31 december 2020. Bij gebrek aan winst is ze 1 jaar overdraagbaar.
De niet-benutte investeringsaftrek voor investeringen in 2019 (die 20% bedroeg) wegens te weinig winst, is dan weer een jaar extra overdraagbaar en kan dus nog afgezet worden tegen winst van 2020 én 2021.

7. Aanpassing carry-back regeling

Fiscale verliezen geleden in 2020 kunnen reeds benut worden in de aangifte vennootschapsbelasting over 2019. Deze wet voegt een verduidelijking aan de reeds bestaande maatregel toe: De winst van een boekjaar dat afsluit tussen 13 maart 2019 en 31 juli 2020 kan gecompenseerd worden met het verlies van het volgende boekjaar.

8. Belastingvermindering voor nieuwe aandelen van KMO’s

Natuurlijke personen die KMO’s wensen te ondersteunen met nieuw ‘kapitaal’, kunnen dit op een fiscaal vriendelijke manier doen.
Voorwaarde is dat de omzet van de kleine vennootschap met minstens 30% gedaald moet zijn in de periode 14 maart 2020 tot 30 april 2020. Voor starters wordt gekeken naar het financieel plan. Bovendien moet het gaan om een ‘operationele’ vennootschap (bv. geen beleggings- of managementvennootschap).
De KMO kan zo tot 250.000 EUR nieuw ‘kapitaal’ ophalen. Per persoon geldt een maximum van 100.000 eur.
Er moet geïnvesteerd worden via werkelijke geld-inbreng (bv. geen inbreng in natura). Investeringen die leiden tot een belang van meer dan 30% worden uitgesloten.

Ook bedrijfsleiders kunnen via deze maatregel investeren in het bedrijf waar ze werkzaam zijn!
20% van het geïnvesteerde bedrag geldt als belastingvermindering. De vermindering is niet terugbetaalbaar maar wel overdraagbaar naar de volgende drie belastbare tijdperken. De aandelen moeten minstens 5 jaar worden aangehouden.

9. Wijzigingen tax shelter audiovisuele of podiumwerken

Productievennootschappen die via de tax shelter investeringen hebben aangetrokken vanaf 12 maart 2020, krijgen 6 maanden extra de tijd om de beoogde uitgaven te doen en de attesten te bezorgen.

10. Geen BTW Voorschot in December

BTW Voorschotten zijn niet verplicht, behalve het decembervoorschot. Echter is zelfs dit voorschot in 2020 niet verplicht omwille van Corona en dit zowel voor maandaangevers als kwartaalaangevers.
 
Heeft u vragen over de toepassing van deze of andere maatregelen, neem dan zeker contact op met uw vaste dnf-adviseur.

Independent member of
dnf belgium | generaal lemanstraat 61/b3 - 2018 antwerpen (2de verdieping) | info@dnf.be | 03 224 11 11
Website door Artissoft
gerealiseerd met de steun van
Flanders Investment